Opinie

Kunst en cultuur als voedsel voor de ziel

Peter van der Tol
24 januari 2022
13:02
Kunst en cultuur dragen bij aan het vergroten van welbevinden en de kwaliteit van leven horen we vaak. Kunst spreekt de taal van emotie, raakt de harten van mensen, verbindt mensen met elkaar en nodigt zo uit tot gedragsverandering. Het is vaak een manier om je te kunnen uiten, ook als je geen prater bent en of de taal niet spreekt. Als iemand participeert in culturele activiteiten of dit doet in een meer passieve vorm (denk aan muziek luisteren en kunst bekijken), dan vinden in ons brein neurobiologische mechanismen plaats.

Tevens spelen psychologische en sociale processen een rol. Deze processen leiden tot positieve effecten op de lichamelijke- en mentale gezondheid (denk aan minder vaak naar de dokter, minder medicatie of minder depressie), kwaliteit van leven (plezier maken), meedoen (sociale contacten opdoen) en zingeving (levenslust bevorderen, uitdaging). Kunst en cultuur dragen bij aan zingeving, zelfvertrouwen, individuele ontplooiing, participatie en positieve gezondheid. Met actieve vormen van kunst zoals bijvoorbeeld zelf beeldhouwen of schilderen, zelf muziek maken en dansen, kom je letterlijk in beweging.
Dit is al heel veel, maar laten we het ‘maakproces’ vooral niet vergeten, waarin teleurstelling en succes mentale flexibiliteit en weerbaarheid verhogen. Bij het beeldhouwen leer je te vormen door iets weg te nemen. Eenmaal het verkeerde weggenomen is het onherstelbaar en moet je een andere weg bewandelen of zelfs een geheel ander kunstwerk creëren. Als er dan na enige tijd een mooi werkstuk staat, dan is de voldoening en trots des te groter. Zo ontwikkelen we onszelf steeds een stapje verder.

Uitgedaagd en getroost
De metacommunicatie van beeldende kunstbeoefening maakt zichtbaar en invoelbaar wat in woordelijke communicatie verborgen zou blijven. Beeldende kunstbeoefening voorziet daarom in drie belangrijke menselijke behoeften: ontwikkeling van vaardigheden, wezenlijk contact met jezelf en anderen en schoonheidsbeleving. Het blijkt dat mensen door de materiele en fysieke eigenschappen van beeldende kunstbeoefening zich tot op hoge leeftijd uitgedaagd en getroost voelen en zich daarna lichamelijk meer ontspannen en makkelijker contact aangaan, met zichzelf en anderen.
Hoe zit dat dan met de cultuur in een groter geheel, vanuit de taal als invalshoek?
Mensen nemen in dezelfde situatie technisch hetzelfde waar, echter omdat ons brein onze waarnemingen kleurt, neemt niemand precies hetzelfde waar. Deze kleuren bijvoorbeeld zullen voor iedereen een net iets andere ervaring opleveren. Zonder een zekere toerusting in de hersenen en andere delen van het lichaam, zijn we zeker niet tot taalproductie in staat. De absolute voorwaarden voor taal mogen dan klaarliggen in het lijf, deels evolutionair gestileerd hoe een conversatie verloopt—met welke intenties, intonaties, betekenis en vormgeving—ligt niet van tevoren vast. Dat heeft immers ook te maken met de gesprekspartner. Met andere woorden: we kunnen niet een afzonderlijk brein op de operatietafel leggen om te zien hoe ons vermogen tot zinvolle deelname in een taalgemeenschap er uit ziet.Dat maakt iets duidelijk over hoe taal - en in bredere zin cultuur - bezien moeten worden. Een conversatie voltrekt zich tussen ten minste twee personen. Dat spreekt in zoverre voor zich dat er in je eentje betrekkelijk weinig te kletsen valt. Maar belangrijker is zoals gezegd dat het verloop van het gesprek afhangt van de gesprekspartners. Zij dragen toe aan wat er in de conversatie tot stand wordt gebracht. Als het goed is, dan stemmen de gesprekspartners hun gedrag op elkaar af. Anders is er al gauw sprake van bevelen in plaats van praten.

Sociaal gedrag als dans
In een goed uitgevoerde dans gebeurt iets soortgelijks. Om er een vloeiend geheel van te maken, moeten beide danspartners op elkaar reageren en voortdurend anticiperen en bijsturen. Anders wordt het een houterig geheel en kun je net zo goed een zak aardappelen rondsjouwen. Met dansen heeft het dan niet veel meer te maken. Politiek Den Haag liet vorige week nog zien waar dat toe leidt. Trek je die gedachte door, dan kun je argumenteren dat alle sociale gedragingen uit afstemmingsrelaties bestaat. Voortdurend ‘tunen’ we ons gedrag met dat van anderen om ons heen. Dat doen we met zoveel gemak en flair, dat we het nauwelijks in de gaten hebben. Moeilijk wordt het pas wanneer we terechtkomen in een groep mensen die anders op elkaar ‘getuned’ zijn geraakt dan wij. Dan ineens bewegen wij ons houterig en onthand. Je hebt dat zelf meestal meteen in de gaten. Het duurt een tijdje voor je je weer gemakkelijk en zelfverzekerd kunt bewegen in zo’n groep; namelijk net zolang tot je je eigen gedrag hebt leren aanpassen en vervlechten met dat van de anderen, zodat de sociale omgang weer vloeiend verloopt.
In vrijwel alle sociale interacties moeten mensen op elkaar reageren, anticiperen en bijsturen, anders loopt de interactie in de soep. Daarmee heeft sociaal gedrag wel iets weg van een dans. Het is niet gemakkelijk om te zeggen wat cultuur dan wel is. Het gaat erom te begrijpen waarom mensen in een aanwijsbare groep gedrag vertonen dat duidelijk verschilt van het gedrag van mensen in andere groepen. Hoe komt het dus dat de neuzen in een groep ongeveer dezelfde kant gaan op wijzen?

Alle snavels dezelfde kant op
Hoe gedrag zich voltrekt is afhankelijk van hoe mensen wederzijds op elkaar reageren. De patronen kunnen alleen maar bestaan tússen mensen, als iets wat je kunt waarnemen als gevolg van hun voortdurende afstemmingsgedrag. Een voorbeeld kan het duidelijker maken. Stel je grote een zwerm vogels voor die pijlsnel en kriskras door de lucht schiet. Iedereen kent ze die zwermen spreeuwen in de schemering op zoek naar een overnachtingsplek. Alle afzonderlijke vogels lijken precies te weten waar ze naartoe moeten, maar er is geen leider die de anderen vertelt waar naartoe. Daarvoor is de zwerm te chaotisch. Toch kun je het patroon -de zwerm- waarnemen dat het gevolg is van al die afzonderlijke vogels samen. Niemand zal zeggen dat het patroon er nog is als je alle vogels wegneemt. Zonder vogels, geen zwerm. Ook zal niemand zeggen dat ‘de zwerm’ aan al die vogels vertelt waar ze naartoe moeten. Wat er wel gebeurt is dat iedere vogel rekening houdt met zijn buurvogels. Hij past zijn snelheid en richting voortdurend aan aan wat er om hem heen gebeurt. Als alle vogels dat doen, dan ontstaat het patroon van de zwerm, waarin vogels niet of nauwelijks botsen en waarin ze allemaal ongeveer met de snavels dezelfde kant op staan. En zo leert ons de natuur op eenvoudige wijze waarom en hoe wij het beste met elkaar om kunnen gaan.
Gelukkig gaat straks de kunst & cultuursector weer open, mogen we ons verder ontwikkelen en hoopt iedereen dat het leidt tot wat meer maatschappelijke harmonie.

Peter van der Tol, Hengelo