Tussen de linies

Van niemand en daarom van iedereen

Tom Luttikhuis 21 oktober 2024, 07:42
Klootschieten. Het is de meest Twentse sport die er bestaat, maar vraag een willekeurige Tukker naar de regels en historie en je zult slechts stilte als antwoord krijgen. Sommigen maken zich er misschien gemakkelijk vanaf: ‘Een beetje gooien met een bal, toch?’ En dan een schaapachtig lachje. Spijtig, want er houden zich prachtige verhalen schuil in de geschiedenis van het klootschieten en iedereen kan er levenslessen uit putten.
 
Een kloot als munitie
Laten we beginnen bij het begin en meteen een van de grootste mythen ontrafelen. Klootschieten is geen Twentse sport. Het vond haar oorsprong in de oorlogsvoering. Op klei- en moerasgrond gebouwde steden verdedigden zich tegen vijandelijke belegeringen door vuistdikke ballen te kneden van aarde die ze droogden en opbakten. Die kloten werden vervolgens met slingertuigen richting de aanvallers geschoten. Wanneer de stofwolken van de slag neergedaald waren en soldaten huiswaarts keerden, namen ze dikwijls een paar kloten mee. Om de lange voettocht dragelijker te maken, speelden ze een spel waarbij een kloot zo ver mogelijk geworpen moest worden. Ingehuurde Zwitserse soldaten die tijdens Middeleeuwen in Duitsland gevochten hadden, schoten zich met de kloot spelenderwijs een weg terug naar huis. Zo kwamen grote delen van Europa in aanraking met het spel.
 
Verbod op klootschieten in Nederland
Hoe klootschieten zich precies in Nederland nestelde valt niet met zekerheid te zeggen, maar sinds de veertiende eeuw verspreidde het zich als een lopend vuurtje door ons land. Van oost tot west en noord tot zuid werd het gespeeld. Het was zo populair dat stadsbestuurders zich genoodzaakt voelden om het te verbieden. In 1594 verspreidde de Stad Muiden het besluit om clootschieten, balwerpen, of enige andere spelen ofte diergelijcke ongeregeldheden onder die selve predicatie te bedrijven op peijne (straffe) … van 15 stuivers.” Binnen de muren van de stad mocht niet langer met kloten geschoten worden. Als je in die tijd door de straten van Muiden liep moest je constant op je hoede zijn wilde je niet geraakt worden door een aanstormende kleien bal. Klootschieten moest voortaan buiten de stadsmuren en de ballen moesten van hout gemaakt worden.
 
Manchester City van het klootschieten
Als reactie op het verbod op klootschieten binnen stadsmuren werden banen aangelegd op landgoederen buiten de poort. Wat voetbal nu is, was klootschieten toen. De rijken en machtigen trokken graag hun beurs om de sport dichtbij huis te halen. In 1390 liet Graaf Albrecht Van Beieren een ‘clootschietbaan’ aanleggen in de Haarlemmerhout. En Karel van Gelre bezat in zijn hof in Arnhem zelfs meerdere banen. De Middeleeuwse aristocratie was de voorloper van de oliesjeik anno 2023. Zoals je tegenwoordig als oliesjeik niet meetelt zonder voetbalclub, was je vroeger als edelman pas echt een grote jongen wanneer je een klootschietbaan bezat.
 
Klootschietersveldslag in Twente
Ook tussen Regge en Dinkel nam klootschieten een belangrijke plek in het dagelijks leven in. Tegenwoordig vinden vijandelijkheden tussen steden hun oorzaak in een diepgewortelde afkeer naar rivaliserende voetbalclubs. In vroegere tijden was klootschieten de oorzaak van ruzies tussen steden en vetes tussen dorpen en marken. Zo ontmoetten Ootmarsum en Oldenzaal elkaar op een koude januaridag in 1747 op de ‘Duustervoort’, het kruispunt van de Oude Ootmarsumsedijk en de Rossummerbeek. De inzet: tachtig dukaten. De Oldenzalers waren zo overtuigd van hun kunnen dat ze al voor de wedstrijd een vergulde bal aan de stadsbanier hingen, als overwinningsteken. Ze waren zelfs zo zeker van hun zaak dat ze het niet nodig vonden om de inzet mee te nemen. Een overwinning kon ze niet ontgaan…
 
… en dat klopte ook. Met nog een schot te gaan lag Oldenzaal zover voor dat hun laatste klootschieter zijn kloot alleen maar los hoefde te laten. Maar voor deze jongen was liefde geen spel. Zijn hart klopte voor een meisje in Ootmarsum en hij vreesde dat hij zich niet binnen de Ootmarsumse stadsmuren kon vertonen als hij degene was die de stad van zijn schatje over de knie zou leggen. Geen vrijersbezoekjes meer… en het was zo’n koude winter. Dus in plaats van vooruit te schieten, wierp de jongen zijn kloot een flink eind de verkeerde kant uit. Ootmarsum barstte in luid gejuich uit en eiste de tachtig dukaten op. Toen ze erachter kwamen dat de Oldenzalers met lege handen gekomen waren, veranderde de klootschietwedstrijd in een veldslag. Kloten werden weer als vanouds als munitie gebruikt. Onder aanvoering van de burgermeester van Ootmarsum werd de stadsbanier van Oldenzaal gejat. En vandaag de dag is dat stadsvaandel van Oldenzaal nog steeds in het bezit van Ootmarsum, ondanks vele pogingen om het terug te krijgen.
 
De Zilveren Kloot
In 1919 vond het Vaderlands Historisch Volksfeest plaats in Arnhem, een driedaags evenement ter ere van de Nederlandse cultuur. Vertegenwoordigers van klootschietersverenigingen van Noord- en Zuid-Twente (van elkaar gescheiden door het Almelo-Nordhornkanaal) speelden er een legendarische wedstrijd. Een vijf uur durend spektakel waar volgens een toeschouwer “telkens weer gigantische knapen uit de boerenschappen naar voren traden” en “na een aanloopje pijlsnel de zware kloot onder het gekrijs en geroep van honderden partijgenoten wegschoten.” Noord-Twente trok die keer aan het langste eind. Die keer, want na de uitreiking van de prijs, de Zilveren Kloot, werd afgesproken dat de wedstrijd het volgende jaar herhaald zou worden op Twentse bodem met als inzet dezelfde Zilveren Kloot. En zo ontstond een traditie die nog steeds bestaat. Op iedere eerste zondag van september wordt er op de Haarlerheide in Reutum gestreden tussen de beste klootschieters van Noord- en Zuid-Twente met de Zilveren Kloot als eremetaal. De rivaliteit gaat zo diep dat er jaren zijn geweest dat de wedstrijd niet door ging. Soms vanwege geschil over de grootte van de kloot. Soms omdat de Zilveren Kloot verdwenen was.
 
Van niemand en daarom van iedereen
Het ereobject verdween na een misleidend bericht in de Twentsche Courant waarin stond dat wie driemaal winnaar was, eigenaar werd van Zilveren Kloot. Hoewel hier niets van waar was, eigende een veuropscheeter (aanvoerder) die driemaal op rij winnend uit de strijd gekomen was, zich de kloot toe. Een aantal jaren probeerde men tevergeefs het kleinood weer te laten fungeren waarvoor het bedoeld was: als wisseltrofee. En toen kwam de oorlog en was een zilveren kloot ineens niet belangrijk meer. In vijf jaar kan veel verloren gaan. Toen de oorlog voorbij was en klootschieten weer als vanouds gespeeld werd op de Twentse heide, zetten klootschietprominenten de zoektocht naar de Zilveren Kloot voort. In de tussentijd diende een replica als wisseltrofee.
 
Het kostte een generatie, geduld en een mensenhart vol empathie om het originele object boven water te halen. Oud zeer werd overwonnen en plooien gladgestreken. De veuropscheeter had het niet zo bedoeld, maar gekrenkt door de valse aantijgingen een dief te zijn, weigerde hij het terug te geven. Met de terugkeer van de originele Zilveren Kloot werd een jarenlange vete bijgelegd. Omdat de replica als plaatsvervanger diende, werd het origineel in bewaring genomen. De Zilveren Kloot was namelijk bezit van niemand en daarom van iedereen.
 
Die wijsheid geldt ook voor sport. En voor het klootschieten. Het is geen Twentse sport, ook geen Nederlandse sport, het is een volksport die van Schotland tot Duitsland en van Italië tot Ierland bedreven wordt. In Twente brengt het mensen uit verschillende steden en dorpen samen, dezelfde strijd voerend als hun voorouders generaties eerder. Dat is de essentie van sport: het verbindt. Verbroedering door strijd. Dat is wat klootschieten zo mooi maakt.
 
Veel van deze prachtige historie heeft als bron: Het Groot Klootschietersboek, Martin Meijerink, 2005, Uitgeverij Smit