Tussen de linies

Wij gaan Europa in!

Tom Luttikhuis
16 juli 2022
13:28
Op dinsdag 2 november in het jaar 2010 woonde ik in Groningen. Aan de Helper Brink om precies te zijn. Het was een fijn studentenhuis waar steevast vierentwintig flesjes bier koud lagen en lege kratjes zich opstapelden tegen de muur totdat het plafond bereikt was, want dan was het pas echt tijd was om ze weg te brengen naar de Albert Heijn om de hoek. Ik woonde er samen met mijn vrienden.

Normaal gesproken gingen we op dinsdagavond de stad in. De avond zou er ongeveer zo uitzien: we aten pizza van Ristorante en na het eten kwamen de kaarten op tafel. Eerst een potje toepen om de rotklusjes; de verliezers moesten het toilet schoonmaken, de trap stofzuigen of dat ranzige doucheputje legen. Geloof me, tijdens dat laatste potje wilde niemand verliezen en was het zo stil in huis dat zelfs de buurvrouw niets te klagen had. Na het toepen zouden we een potje mexen of kingsen en daarna wachtte de stad. Normaal gesproken zouden we naar de Rumba gaan, waar een pilsje tot één uur zestig cent (!) kostte, en daarna naar de Negende Cirkel.

Maar dinsdag 2 november in het jaar 2010 was geen normale dag. Mijn avond verliep anders. Rond zeven uur ging de bel. Ik rende de trap af (ons studentenhuis was gevestigd op de eerste, tweede en derde verdieping) en nog voordat ik de deur opengetrokken had, stormde mijn oom langs me heen.
“Waar is de wc?” brulde hij.

Toen ik naar boven wees, zakte hij bijna van ellende door zijn knieën, maar hij rende de trap op, schreeuwde in het voorbijgaan tegen mijn vrienden dat hij zich na het doen van zijn behoefte zou voorstellen en verdween in het kleinste kamertje van ons huis.

Nu denk je misschien dat mijn oom geen kaas van omgangsvormen gegeten heeft, maar vergeef het hem: hij had zich namelijk nogal gehaast die dag. Mijn vader had hem bij zijn werk opgehaald en mijn oom had tijdens de rit van Oldenzaal naar Groningen constant aan de telefoon gehangen, vergaderingen bijwonend. Hij was zo druk dat hij vergeten was om naar de wc te gaan. Ik hoor je denken: die man had zijn prioriteiten niet op orde, want waarom wachtte hij niet even tot alle telefoontjes gepleegd zijn voordat hij halsoverkop naar Groningen vertrok? En waarom deed hij niet even zijn behoefte voordat hij instapte?

Nou het zit zo: we hadden vier kaartjes voor Werder Bremen tegen FC Twente. Eén van de zes wedstrijden die FC Twente speelde in het eindtoernooi van de Champions League. We zouden Nacer Chadli, Marc Janko, Luuk de Jong en Bryan Ruiz zien schitteren in het Weserstadion.

Maar dan moesten we wel op tijd zijn.

En dus vertrokken mijn vader, mijn oom, mijn broertje Mike (vriend en huisgenoot) en ik zo snel als we konden. Mijn oom nam nog net de tijd om door te trekken en mijn vrienden te bedanken voor de gastvrijheid en het feit dat het toilet zo schoon was. Ik denk dat mijn oom de enige is die van alle ruimtes in mijn oude studentenhuis het langst op de wc heeft doorgebracht.

We raasden over de autobaan naar Bremen. In die tijd begonnen de Champions League wedstrijden om kwart voor negen. Wij reden om half negen de stad binnen. De rivier de Weser stak duidelijk af tegen de blokkendozenarchitectuur, als een spatader op een spierwitte huid.

Toen diende een probleem zich aan. “Er is nergens een parkeerplaats”, mompelde mijn vader. Hij had gelijk. De Osterdeich, de weg langs de rivier, stond helemaal vol met auto’s en bussen. Nergens was er een plekje dat groot genoeg was voor de (toch niet al te grote) auto van mijn vader.

“Teruggaan en een stuk lopen?” opperde iemand.

Ik keek naar het stadion dat voor ons opdoemde. De lichten waren al aan. Het glom haast, als een groene saffier, zo aanlokkelijk was het. Daar zou het gebeuren. Daar moesten we naar toe. “Nee”, zei ik. “We parkeren er zo dicht mogelijk bij. Vooraan is altijd plek.”

Dus reden we verder. En jawel: in een doodlopende zijstraat vonden we een minuscuul plekje waaraan niemand zich gewaagd had. Mijn vader parkeerde zijn auto voorwaarts in file tussen een slagboom en een bestelbus. Twaalf keer steken. Nog voordat de deur in het slot viel, renden we naar het stadion. We keken niet eens of onze parkeerplaats wel rechtsgeldig was. Afgesleept worden was een probleem voor later.

Het was inmiddels twintig minuten voor negen. We lieten onze kaartjes zien bij de poorten van het stadion. We kwamen meer en meer fans van onze club tegen, maar liepen broederlijk met de aanhangers van Werder Bremen richting het uitvak.

Mijn vader kwam een bekende tegen. Hij sprak me met een dubbele tong aan en vroeg of ik Nikki was. “Ik heet Tom”, zei ik. “Nikki is mijn zusje.” Hij hoorde me niet eens. Bijna iedereen was dronken. En wij ook.
Dronken van geluk, want toen we de trap naar het uitvak helemaal beklommen hadden, begon de Champions League hymne te spelen. Violen zo mooi dat je er kippenvel van krijgt en tranen zich opwellen in de hoeken van je ogen.

We waren precies op tijd en hebben alles gezien. De acties van Bryan Ruiz, de rode kaart van Torsten Frings, de pegels van Naldo en de goals van Nacer Chadli en Luuk de Jong. Tweeënhalf uur en drie punten later waren we weer bij onze auto. Er kleefde geen briefje aan de voorruit. Weer een paar uur later was de mooiste voetbalavond uit mijn leven voorbij.

Tot nu toe dan, want we zijn er weer. Na een afwezigheid van meer dan 2800 dagen zijn we terug. Wij gaan Europa in! De Veste zal schudden als vanouds. Kelen worden schor geschreeuwd. Tegenstanders zullen bibberen. Eerst in de Conference League. Maar dat is niet de eindbestemming. Een ladder beklim je sport voor sport. En dromen moet.

Werder Bremen is dit jaar, na een kort verblijf op het tweede niveau van Duitsland, teruggekeerd naar de Bundesliga. Ik ben blij voor ze. Als Twentefan weet ik hoe het voelt om in een klasse te spelen waar je niet thuishoort. Ik wens ze alle sterkte en hoop dat ik op 2 november 2027 (die ook op een dinsdag valt) opnieuw in het Weserstadion kan zijn om een Champions League wedstrijd tussen mijn club en Werder Bremen bij te wonen.

Dat betekent dat we nog vijf voetbalseizoenen hebben om daar te komen. Dromen mag. Nee, dromen moet: er is werk aan de winkel!

◼︎

Tom Luttikhuis is sportfanaat. Schrijven is zijn grote passie. Tekenen doet hij al sinds zijn jeugd. Voor TKKR schrijft hij verhalen over bekende en minder bekende (Twentse) sporthelden.
Op zijn website www.akkapanna.com is meer werk van hem te lezen en te zien.